Page 62 - Kijk op zijn omgeving
P. 62
Pagina 60
in zijn greep. De stabiele, hoge graanprijs stuwde de productie op, maar had als bijwerking dat
de kleine, niet levensvatbare boertjes in leven bleven.
Die "dwergbedrijfjes '', zoals Sicco ze noemde, waren een sta-in-de-weg voor schaalvergroting
en mechanisatie. In de landbouwparagraafvan het PvdA program stond onomwonden dat de
boer "zo rationeel mogelijk" moest produceren. Mansholt wijzigde het erfrecht in de landbouw
om versnippering tegen te gaan. Liefst had hij - in de geest van zijn grootvader en ouders -
alle Nederlandse cultuurgrond in één genationaliseerd (een weldaad voor de agrarische
wereld). Maar hij besefte dat zoiets in de rooms - rode kabinetten geen haalbare kaart was.
De grote opruiming van de dwergbedrijfjes kocht Mansholt bij de boerenbonden af met de
belofte dat de blijvers groter zouden worden, en de kleinen in de sanering.
Mansholts politiek was uniek in de wereld. Geen kapitalisme en ook geen communisme.
Wat de boer voor zijn product ontving was de kale kostprijs, centraal berekend door het
Landbouw Economisch Instituut, plus twintig procent "loon". Dwongen de vakbonden een
loonsverhoging af, dat was de staat verplicht om ook de boeren opslag te geven, in de vorm
van betere prijzen, zodat de levensstandaard op het platteland gelijke tred hield met die in de
stad. Het lukte, de productie sprong omhoog, de boeren verdienden redelijk.
Mansholt hoopte de gezamenlijke afzetmarkt te vergroten, zodat Denemarken en Nederland
zich konden toeleggen op zuivel.
In eigen land bleek ook premier Drees zo zijn reserves te hebben. Die vond toch al dat
Mansholt veel te hard van stapel liep. Op een kabinetsberaad in 1950 had de jongste van alle
ministers eens met een klap een discussienota op tafel gelegd over de armoede in de wereld.
Maar de minister - president kapte hem af omdat hij zich niet had gehouden aan de
. voorgeschreven procedures, wat heet: met zijn nota had hij de ministerraad overvallen.
Mansholt toonde zich gevoelloos voor kritiek. Op en aanmerkingen op zijn beleid troefde hij af
met cijfers: tonnen, opbrengsten per hectare, liters melk per koe. De streefgetallen die hij
zichzelf stelde bleken elk jaar met tientallen procenten overtroffen.
In 1953 ontstond de eerste boterberg. ''De schaarste is veranderd in overvloed," constateerde
Sicco tevreden - al moet hij toen al nattigheid hebben gevoeld. Het wegwerken van die
voorraden, zonder dat de prijs inzakte, was een kostbare zaak. De staat diende het teveel
tegen de gegarandeerde prijs op te kopen, en vervolgens met verlies buiten de tariefinuren
af te zetten. Mansholt boekte die kosten onder het "exportsubsidies", maar hoe luchtig hij daar
ook over deed, hij kon niet verhullen dat de steeds zwaarder op zijn begroting doordrukten.
De aanvaringen met Drees gingen voortaan over de prijs van het landbouwbeleid.
Bij de kabinetsformatie van 1956 eiste Sicco een jaarbudget van 220 miljoen gulden. "Anders
doe ik het niet," dreigde hij. Drees dacht een mooie aanleiding te hebben gevonden om hem te
dumpen, Waar haalde Mansholt het lefvandaan om meer geld te vragen voor zijn boeren dan
er beschikbaar was voor onderwijs ofgezondheidszorg'?.
Maar Sicco knipperde niet met de ogen. Zijn ambtenarenapparaat had alles alvast door
gerekend en publiceerde staatjes waaruit de boer zijn jaarinkomen kon aflezen - nog voor hij
ging zaaien. Alsof het in de cao was vastgelegd: de eigenaar van een gemengd bedrijf van
tien hectare zou in 1957 6400 gulden verdienen, een veeboer met achttien hectare weiland
7200 en een akkerbouwer op vijftig hectare 8400.
"brood, melk en suiker worden een paar cent duurder," zo liet Mansholt weten.
Voor het eerst vroegen nu ook Sicco' s partij genoten zich af of hun landbouwminister niet al te
gul met subsidies strooide. Gesprekken om hem tot een compromis te bewegen liepen op niets
uit, helemaal niet toen ze opperden dat duurder brood voor het volk hun weinig socialistisch
leek. Hoe konden zijn medesocialisten nu geloven in de "myte-van -het -dure-brood".
Maar die beriepen zich op Marx zelf Beloon je de boer, zo haalden ze de meester aan, dan
betaalt de arbeider het gelag. Brood hoorde zo goedkoop mogelijk te zijn, of de graanteler

