Page 57 - Kijk op zijn omgeving
P. 57
Pagina 55
Behalve meer, konden boeren ook efficiènter produceren, vooral dankzij de ruilverkaveling.
Sinds de ruilverkavelingswet van 1954 is vrijwel heel Friesland op de schop geweest.
De ontsluiting verbeterde, boeren kregen minder en grotere kavels en honderden boerderijen
zijn naar het buitengebied verplaatst. Dat was hart nodig. Veel bedrijven waren zo versnipperd,
dat een boer daar nauwelijks met moderne machines uit de voeten kon. In de jaren vijftig en
zestig werd de grondwaterstand nog zover verlaagd als de boer dat wilde. Ook dat kwam de
opbrengst ten goede. Of dat goed of slecht was voor de natuur, dat vroeg vrijwel niemand
zich af Zo sneuvelden in de woeden vele honderden houtsingels, zonder dat iemand zich daar
door druk om maakte. Om waterpeil beter te kunnen regelen, fuseerden in 1960 260
waterschappen en 900 particuliere polders tot 10 nieuwe water schappen .
Ruilverkaveling werd ook een beproefd hulpmiddel bij het saneren van de boerenstand.
De wet van 1954 maakte het mogelijk om de zogeheten toedelingsrechten af te laten kopen.
Het Rijk kocht land op van boeren die wilden stoppen en gaf hen daarvoor een extra premie
De grond werd weer gebruikt om de bedrijven van de blijvers te vergroten.
Uitverkoop heeft de schaalvergroting in de landbouw zonder meer versneld, maar de
belangrijkste reden is toch wel dat veel boeren de race niet meer wilden of konden volhouden.
De prijzen van landbouwproducten daalden beetje bij beetje en uitbreiding van het bedrijf was
noodzakelijk om rendabel te kunnen blijven produceren. In 1950 telde Friesland nog bijna
22.000 bedrijven met 1 hectare of meer. Twintigjaar later waren dat er 13.000. Vooral de
kleinsten waren afgevallen.
Alleen al in Friesland vonden tussen 1955 en 1975 zes en twintig ruilverkavelingen plaats - en
in dat spel pasten de kleine boeren niet meer (sanering regeling).
Hoe de normen veranderen, viel af te lezen aan wat als groot, en klein bedrijf werd beschouwd,
In dertig jaar tijd werd een boer met twintig koeien en paarden van groot, naar een keuter boer
verheven. In de jaren zestig werden ook het na melken, en de mest afvoer gemechaniseerd. Het
aantal melkuren per koe zakte. Daarna kwam de ciclomaaier, de melktanks , de ligbox stallen
met melkputten en computers en een boer molk op zijn eentje tachtig koeien als het er niet
honderd waren.
De prijzen bleven gelijk en het enige overleverings kans bestond uit twee woorden ''Meer"
en "Efficenter" dat betekende voor durend nieuwe investeringen, in machines en vee, in grond
en kunstmest en in nieuwe stallen. Zo ontstond er een nieuwe horde: het kapitaal.
Wij waren financieel altijd kwetsbaar. Men zei wij waren afhankelijk van het weer. De kwaliteit
van het hooi kon enorme financieèle gevolgen hebben. Als je een matige zomer had zat je met
een schuur vol slecht hooi, en dat betekende bij voeren , en boven dien gaven de koeien
minder melk . Dan had je bijna geen inkomen. Maar het omgekeerde had je ook. Je kon in èèn
seizoen opeens best oogsten en fantastiesch verdienen . Je moest den altijd reservers, kweken,
en vooral geen schulden maken. Geld lenen was een signaal, dat men aan de grond zat.
Dat betekende het begin van de armoede, dat werd dikwijls gevolgd door meer lenen, en men
was er bang voor. Landbezit was belangrijk, land loopt niet weg , geld wel bij de boeren.
En als een boer land kocht had hij het hele geld meest al wel. Lenen bij de bank dat deed je
niet. De ouderen haalden oude herrinniringen op. We waren tevreden. Om halftien vielen we
als dweil tussen de lappen, ik, jullie, wij allemaal om halfvier begonnen we weer. We werkten
tien, twaalfuur per dag, maar de onze buren werkten net zo hard, het was niet anders.
Boeren begonnen te vertellen over het maaien. Met de zeis zeis ging dat eerst nog, dan
schudden, dan in lange stroken leggen, dan oppers er van maken, en dan het hooi op de wagen
met het paard er voor. Die geen paard had, ging 's avonds met zijn buurman met draagstokken

