Page 54 - Kijk op zijn omgeving
P. 54

Pagina 52

Tot de mechanisatie ook toepasbaar werd op zelfs kleinere bedrijven. Eerst werd de machine
gebruikt voor verlichting van het zware lichamelijke werk. Daarna om met minder mensen het
werk te doen. Kostenverlaging dus. Soms nam de mechanisatie snel toe, wanneer men of de
lonen snel stegen. De dienstplicht van veel jongens op melkveehouderij bedrijven is vaak
opgevangen door de aanschaf van een melkmachine.
Toen de tractor met aanbouwwerktuigen veel meer bleek te kunnen en nooit moe werd, was
het mogelijk in de zaaitijd of de oogsttijd een steeds grotere oppervlakte de baas te kunnen
Steeds meer verlengde de boer en tuinder zij arm met machines.
Maar hoe ver kon en kunje gaan met het vergroten van het bedrijf of het terugbrengen van de
van arbeidskrachten? Hield de scholing van boer en tuinder wel gelijke tred met de snelle
wijziging van economische verhoudingen en de mechanisatie?
En ook de persoonlijke aandacht voor dier en plant, die vooral bij hoge productie per eenheid
in ons land zo bepalend was voor het resultaat, mocht niet te ver teruglopen
Maar er was nog een ander mechanisme wat de gezinsbedrijven in stand hield. Dat was de
grootschalige verwerking van de producten.
Meer dan een eeuw geleden kwam de zuivelfabriek. Voortaan werd niet meer op elke boerderij
de melk verwerkt tot boter en kaas, maar stichtten de melkveehouders gezamenlijk
zuivelfabrieken voor de verwerking en afzet. Was dat niet gebeurd, dan had elke veehouderij
met die nieuwe mechanisatie mogelijkheden moeten uitgroeien tot een heel groot bedrijf
Dat is toen niet gebeurd en daarmee is de basis gelegd voor het huidige beeld: grootschalige
fabrieks matige verwerking van de producten maakte het mogelijk het gezinsbedrijf te
handhaven. In feite gold dat ook voor de tuinbouwbedrijven, die met een grootschalig
veilingsysteem wel vrijheid van afzet inleverden, maar op een gezonde basis gezinsbedrijf
bleven. Voor de akkerbouw lag het wat anders, omdat die van oudsher groter waren.
Heel lang was voor veel mensen de landbouw een wijze van bestaan, een levensvulling.
Het is dan bijna een ramp als blijkt dat niet meer gaat. De mechanisatie was enerzijds een
zegen, want het verving de zwaarste lichamelijke arbeid. Anderzijds joeg het de omvang van de
bedrijven omhoog.
In de aanvang kon dat nog worden opgevangen door het afstoten van arbeidskrachten.
Vijftig jaar geleden gingen eerst de werknemers, daarna de zoons de bedrijven verlaten.
De Philips - vesting in Drachten bijvoorbeeld heeft veel nieuwe banen gegeven voor mensen
die de landbouw uit moesten.
Op den duur kwam er een tijd dat het bedrijf ook voor de laatste man te klein werd. De
ondergrens, waarbij het mogelijk was dat het bedrijfvoldoende gezinsinkomen opleverde,
schoof steeds verder omhoog. Kleine boeren voelden zich bedreigd, behalve diegenen die
intensiveerden en daarna grond durfden te kopen. Maar niet voor iedereen was dat weggelegd.
En dan kwam er vaak een verdrietig proces van bedrijfsbeƫindiging. op gang.
Barend Biesheuvel, destijds minister van landbouw, komt de eer toe voor de oprichting van het
Ontwikkelings- en Saneringsfonds. Dit fonds verzachte en stimuleerde de bedrijfsbeƫindiging.
Lang pleiten kleine bedrijven er voor om ook zonder aanpassing te kennen blijven bestaan.
Men nam het de overheid kwalijk dat bedrijven niet verder konden.
Vooral de CBTB werd er op aan gesproken, omdat het christelijk handelen exclusief werd
afgemeten aan het opkomen voor de kleine man. Het was niet de vrolijkste tijd voor de
boerenorganisaties. Die wilden het oog vooral gericht houden op de toekomst. En in die
toekost ging het om het in stand houden van zoveel mogelijk levensvatbare bedrijven en dat
betekende tegelijk: niet alle bedrijven.
   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59