Page 53 - Kijk op zijn omgeving
P. 53

Pagina 51

opeen gestapelde ervaringen van generatie op generatie onmisbaar, ondanks alle onzin en
bijgeloof die daar in de loop der tijden tussen was geslopen.
Bovendien kocht iedereen uit het dorp bijna alles bij de eigen kruidenier, en ook nog bij
mensen van eigen kerk Een enkele ging naar een grotere plaats, maar dat was maar een
uitzondering. Bakkers, en slagers en kruideniers winkels vormden in de toenmalige tijd als
sociaal centra van de dag. In de tweede plaats was er krediet ofwel " het boek.
In Nederland strooiden, in de zelfde periode, de meest vooruitstrevende boeren de eerste
kunstmest uit bij nacht - uit angst voor de roddel van de rest. Zelfs het feit dat ze nog steeds
de boeren kaas uit Zuid - Holland eten heeft met de kracht van de vroegere dorpsregels te
maken. Terwijl overal in het land de boeren rond 1900 hun melk naar de melkfabriek begonnen
te brengen, bleven de boerinnen te zuiden van het IJ stug hun eigen kazen maken .
Economisch was het geen verschil, maar het samenhangen met de plaatselijke opvattingen
over wat "hoort" en wat "niet hoort". Voor een vrouw was het rondom woerden, Leiden en
Gouda een grote eer om bekend te staan als een "goede" kaas maker. En die wilde men niet
opgeven.
Het dorp was stil ' s morgens hoorde je de stilte, melkbussen - en een hond, in het land hoorde
je de vogels. In het jaar zestig begon het anders te worden, de kleine boeren verdwenen de
hooiwagens en de hooiende families was verleden tijd, Er kwamen buitengewone handige
machines, om het gras te maaien , te schudden en te transporteren , rode en groene lade
wagens, en overal naast de boerderijen verschenen zwarte plastiek kuilbulten want met voor
drogen en gehakseld, ben je veel minder afhankelijk van het weer.
Het is tegenwoordig allemaal, kuil, kuil, en kuil. ... Voor hooi had je zeker een week mooi
weer nodig, en een veel arbeidskrachten om het binnen te halen , nu zijn twee dagen voldoende
en je kunt het in je eentje doen, en hij moest ook wel, anders zou hij zijn investeringen er nooit
meer uitkrijgen. Bijna nergens in het naoorlogse Nederland was een duidelijker verschuiving
zichtbaar van arbeidskrachten naar financieele macht dan in de landbouw.
De afschaffing van het hand melken was een grote ommezwaai. De trekker deed zijn intrede.
Iemand zei "als ik in het begin met de trekker aan het maaien was en er haperde iets, dan trapte
ik op de koppeling maar ik riep Ho!" zo was ik nog aan de paarden gewent.
Toen de eerste ligboxstal dat was maar niks, het begon op de zand gebieden, de stal ruimte
was daar veel kleiner dan op de klei. Klei boeren wilden er niets van weten, Zei vertelden dat
ze zulke grote schuren hadden. Toen kwam de ruilverkaveling daarin paste de kleine boer
 niet in. De landbouw is in vergelijking met de industrie nog altijd kleinschalig, hoezeer de
bedrijfsgrootte de laatste tijd ook is toegenomen. Het zijn bijna nog allemaal persoonlijke
ondernemingen, waarbij de basis van het kapitaal privé is en als basis ook de arbeid geleverd
wordt door gezinskrachten .
Het daarbij benodigde vermogen groeit de krachten van het gezinsbedrijfbijkans boven het
hoofd. En toch zijn er steeds weer jonge mensen die bereid zijn risico's te nemen en onder
sterk wisselende omstandigheden plezier aan het werk te beleven.
Blijft die gedrevenheid bestaan wanneer de bedrijfsgrootte blijft toenemen en dus de
belemmeringen blijven toenemen?
De bedrijfsomvang werd vroeger vooral bepaald door de menselijke arm. Het aantal koeien
had te maken met wat je persoonlijk per dag kon melken. Dat was ongeveer zeven .
Bij de voorjaarswerkzaamheden op een akkerbouwbedrijf moest alles binnen een bepaalde tijd
in de grond. Konden mens en paard dat aan? Bekend zijn nog de paardetijden.
Om voldoende rusttijden in te bouwen werd 's morgens om drie uur gestart, om dan telkens
met drie uur werken en één á twee uur rust door te gaan tot aan de avond. Je kon het aantal
paarden uitbreiden, het aantal melkers vergroten, maar alles kreeg zijn grens.
   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58