Page 51 - Kijk op zijn omgeving
P. 51
Pagina 49
vaak als een onderlinge verzekering. Met de jaren heeft niet alleen een zekere rust en traditie
verloren, maar ook van zijn isolement, zijn benauwdheid, zijn armoede en gebrek.
En als één soort mensen zich daar van bewust is, dan zijn het de dorpsbewoners zelf
Niemand wil nog terug naar het melken in de koude novemberregen, of het beulen in het hete
hooiland, ziekte en plagen, Niemand wil terug, en een beetje boer omringt zich tegenwoordig
met de nieuwste technologie.
Toen in de begin van de jaren vijftig de trekker zijn intree deed ver andere er heel wat in de
land bouw. De eerste trekker op rupsbanden, was bij Oudeman in het Mandevelt op de grote
boerderij van Theodorus Niemijer. De landbouw voorlichter van het rijk, vertelde dat een
trekker op een bedrijf met 120 ha in het Mandevelt economisch uit kon, op een kleiner bedrijf
kon men een kleiner bedrijf kon men beter met paarden werken. Paarden aten wat koeien lieten
staan, en met had het onderhoud niet. Hoe goed het advies van de voorlichter ook was, de
trekker die kwam, men kon sneller en het werk werd meer gemak gedaan.
Boeren stapten over van de spierkrachten op de machines, en voor arbeider en paard was er
geen plaats meer op het bedrijf Zo heel snel ging de omschakeling trouwens niet. De trekker
was een hele uitgave en de aanschaf was een beslissing die hij weloverwogen nam, met de
landbouwvoorlichter en eventueel ook met de bank. In 1905 reden er 1200 trekkers rond op de
boerenbedrijven, in 1955 2300. Pas in de jaren zestig ging het snel. In 1960 hadden boeren
12.500 trekkers in gebruik, ongeveer èèn voor elk verbruik.
Ook de omschakeling op de melkmachine kwam aarzelend op gang. In 1950 molken 1078
boeren hun koeien machinaal, in 1955 2400 en in 1960 6800. Niettemin, in de jaren vijftig
halveerde het aantal vaste arbeiders tot ongeveer tienduizend.
De mechanisering van het boeren bedrijf ging gelijk op met een geleidelijke stijging van de
productie, per koe en per hectare. Er kwam uitgekiend krachtvoer op de markt, foktechnieken
verbeterden en landbouwvoorlichters kwamen veel vaker dan voorheen op de boerderij.
Ook begonnen boeren de waarde in te zien van een geregelde melkcontrole. Om koeien te
kunnen selecteren op melkproductie en melksamenstelling, moet de de melk regelmatig
geanalyseerd worden. In 1960 was maar liefst 84 procent van de melkveehouders aangesloten
bij een melkcontrolevereniging.
Toen het in het die jaren gedaan was met het beslaan van de talloze paarden verdween voor de
smid een belangrijk stuk werk. De machines vulden die leemte. Iedere dorpssmid kon de
belangrijkste machines op de boerderij anno 1970 zonder problemen repareren, maaimachine
melkmachine, mest transporteurs en nog wat zaken. En dat geld niet meer voor de trekkers en
melkmachine die na de jaren zeventig op de markt verschenen. Die zaten zo vol van technische
en elektronika dat alleengoed geschoolde jongens ze nog de baas konden.
Een gewone, ouderwetse smid kwam daar nauwelijks aan te pas. De boeren werden ook in dat
opzicht steeds afhankelijker van ongrijpbare economische krachten in de buiten wereld.
Voor de melkrobots en andere technische hoogstandjes kwamen zelfs alleen nog maar
deskundigen van de fabriek langs komen, die hun opleiding in Amerika hadden opgedaan.
De vraag was hoelang houd ons dorp het vol, er kwamen meer auto's, dorpsbewoners gingen
naar de grotere plaatsen waar een supermarkt was. De middenstander van het kleine dorp had
het moeilijk. Bestuur van dorpsbelang probeerde bij de gemeente, dat er wat huizen gebouwd
konden worden. De School en de dorpswinkel moest in het dorp blijven. Het Provinciaal
Bestuur maakte bezwaren, het Provinciaal bestemming plan verzette zich er tegen,
woningbouw moest in de grote plaatsen gerealiseerd worden. Het gemeente bestuur verzette
zich daar tegen, een boer die van de boerderij afging moest toch in het eigen dorp blijven
wonen. De provincie had daar begrip voor, en liet enige mogelijk voor .

