Page 43 - Kijk op zijn omgeving
P. 43
Pagina 41
Een andere maatregel was de sanering van de geldvoorraad. Daarmee wilde het Rijk
voorkomen dat het tijdens de bezetting zwart verdiende geld allemaal in omloop werd
gebracht. Dat zou een geweldige inflatie veroorzaken. De Duitsers hadden de geldpers
namelijkflink laten draaien. Sindsdien was de geldhoeveelheid verviervoudigd tot
f 10 miljard. In de week 26 september 1945 begon de grote operatie.
In de week van 26 september en 2 october kreeg iedereen de gelegenheid een tientje aan oud
papiergeld voor een tientje nieuw geld. Dat de overheid had laten drukken in Londen
Het '<tientje van Lieftinck" Het vernoemd naar Pieter Lieftinck de minister van financiën. Zo
ontstond de unieke situatie dat ieder Nederlands huishouden een week lang per gezinslid over
evenveel geld beschikte. Alle geld dat men in huis had moest bij de bank worden ingeleverd.
het banksaldo werd geblokkeerd,
Men moest kunnen aantonen hoe men aan het geld kwam, kon men dit niet, dan was men het
geld kwijt. De geldzuivering bracht veel voor het eerst in aanraking met een bank.
De zwarthandelaren bedachten trouwens een foefje om onder de verbeurdverklaring van hun
inkomsten uit te komen. Zijgaven onverdachte kennissen een deel van het geld.
Voor de moeite mochten die kennissen na de blokkering een deel behouden.
De woningnood.
Het na-oorlogse huisvestingsprobleem zat 'm vooral in de onbeschadigde woningen. Bij de
volkstelling van 1947 bleek dat 22 procent van het woningbestand bestond uit tweekamer-
woningen. Meer dan tienduizend huishoudens, een tiende van dat totaal, moest het doen met
slechts ëën betimmerd vertrek Ook was er in de oorlog geen nieuwe woning bij gebouwd.
In totaal telde Friesland na vijfjaar bezetting 230 vernietigde, 4000 licht beschadigde
woningen. Zet daar bijvoorbeeld het zwaar gehavende Zuid - Holland tegenover daar moesten
39.000 woningen opnieuw worden opgebouwd en 61.000 worden hersteld.
Van alle provincies was Friesland er het best van afgekomen.
De overheid probeerde de ergste woningnood te leningen door gezinnen zonder dak boven hun
hoofd bij anderen onder te brengen. Op 21 maart 1946 regelde zij bij wet dat de gemeenten
tijdelijk woonruimte konden vorderen. Ook in Friesland kregen gezinnen op deze wijzr
onderdak in leegstaande achterkamertjes en ongebruikte zolderverdiepingen. Dat de
huiseigenaren daar niet van gediend waren, dat deed niet ter zake.
Woningvordering bood maar even een oplossing. Daarnaast moest er worden hersteld en
gebouwd. Een groot probleem was de beschikbaarheid van bouwmaterialen. Nederland had
vooral een tekort aan hout, betonijzer, glas, cement en metselstenen.
Om te komen tot een zo eerlijk mogelijke verdeling moest elke gemeente jaarlijks een nieuw -
en herbouwplan indienen dat al dan niet werd goedgekeurd.
Omdat Friesland betrekkelijk weinig oorlogsschade had, was het bouwcontingent de eerste drie
jaar niet bepaald groot. In 1945 konden in Friesland slechts 13 woningen worden voltooid, in
1946, 59 nog een jaar later 191. Pas in 1948 werd er weer volop gebouwd en kwamen er 1711
woningen gereed. Daarna ging de bouwproductie geleidelijk omhoog, tot meer dan vijfduizend
in 1966.
Vijfjaar na de bevrijding was de ergste woningnood voorbij en konden de
distributiemaatregelen voor hout, ijzer en staal worden opgeheven. De aandacht ging toen
uit naar duizenden die nog altijd slecht behuisd waren. Onder hen waren veel jonge stellen
die in afwachting van een woning bij familie waren ingetrokken..
Ook in Haulerwijk kwam inwoning veelvuldig voor. Schuurtjes werden in gericht tot woning
Woningbouwverenigingen probeerden de kosten te drukken door zo compact mogelijk te
bouwen. Grote plaatse zoals Drachten kwamen galerij- en portiek flats.

