|

| |
Onderstaande verhaal is te vinden op Tresoar.nl
Opsterlandse Veencompagnie
01. Inleiding
Een der belangrijkste bronnen van welvaart en vooruit gang voor de Friese Wouden
is de ontginning der uitgestrekte hoogveengebieden geweest. Evenals in de andere
veenstrekenhebben zich met dat doel ook in Friesland consortia van aanzienlijke
personen gevormd die als kapitaalverstrekkers en ondernemers optraden. Dit zijn
dan de veencompagnieën waarvan de Opsterlandse een der voornaamste was.
Aan de veencompagnieën herinneren nog verschillende bekende namen op de kaart.
Wij denken nauwelijks meer aan de betekenis als wij spreken van Heerenveen,
Drachtster Compagnie, Jonkersland of Compagnonsvaart Op persoonlijker wijze
wordt de herinnering bewaard aan de voorname exploitanten in namen als
Engelenvaart en Boelenslaan. Vele tientallen wijken bewaren nog naast hun namen
ook die van personen van bescheidener allure, die bij de vervening een rol
speelden, zoals de veenbazen, die anders slechts uit de archieven op te sporen
zouden zijn. Om een voorbeeld te noemen, onder Lippenhuizen vinden wij naast
nietszeggende namen als Langewijk, Nieuwewijk, Krommewijk en Diepewijk
broederlijk naast elkaar de Lycklamawijk, de Antjewijk, de Wykelerswijk, de
Keimpewijk, de Fokmoeiswijk, de Ruurd-Folkertswijk, de Pastoriewijk, de Gosse
Hanzeswijk, de Jan-Dirkswijk enz. Wij komen thans tot de Opsterlandse Compagnie
of voluit de Gezamentlijke Compagnons der Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche
Veenen en Vaerten, welker archief (tot de omzetting im een N.V. 1908) in
onderstaande inventaris beschreven is.
In Opsterland en Ooststellingwerf was voor de verveners werk genoeg. De
randgebieden dezer grietenijen bestonden grotendeels uit veen, hierover een
grotere, daar over een kleinere oppervlakte, hier een dikkere, daar een dunnere
laag, die ongeveer de helft van de oppervlakte bedekte.
Reeds omstreeks 1580 werd onder Kortezwaag met vervening begonnen door Juw van
Dekama en zijn zoon Sytse. Nog eerder was zij in het aan grenzende Schoterland
aangevangen, waar in 1551 Pieter van Dekana, Jan van Cuvck en Floris Foeyt een
compagnie oprichtten, waaraan Heerenveen en de Schoterlandse Compagnonsvaart hun
ontstaan te danken hebben. Wellicht is als datum van oprichting van de
Opsterlandse Compagnie te beschouwen 25 februari 1645, toen Johannes van Crack,
grietman van AEngwirden, kolonel Jacques van Oenema, Saco Fockens, grietman van
Opsterlanden, Saco Teijens de oude, secretaris van die grietenij, overeenkwamen
een vaart te graven van de Boorn via Terwispel en Kortezwaag en dan door
Lippenhuizen, Hemrik, Wijnjeterp, Duurswoude en Bakkeveen en verder naar het
zuiden en oosten. Zij verbonden zich geen gronden of venen in die dorpen aan te
kopen anders dam in compagnie deze aankopen waren blijkbaar door hen privé al
begonnen.
Als voornaamste te verwachten inkomsten worden vermeld vrijkopen, hondgelden en
grondgelden die alle met de vervening te maken hebben Fockens als voogd van het
weeskind van Anne van Wyckel en Oenema als voogd van het weeskind van Tiberius
van Oenema waren destijds eigenaars van de vaart en venen van Korte zwaag en
noemden zich als zodanig Compagnons van Kortezwaag. Zij stonden aan de nieuwe
compagnie het vervoer van haar venen over hun vaart toe voor 5 stuivers per
dagwerk. Het duurde echter nog tot 1704, voor de toenmalige compagnons,
Augustinus Lycklama a Nijeholt en de erfgenamen van Hans van Wyckel, consent van
de Staten van Friesland kregen tot het graven der bedoelde vaart.
Omstreeks dezelfde tijd kochten zij de vaart van Kortezwaag van de toenmalige
eigenaars, Willem van Haren cum sociis. Over de voortzetting der vaart moest nog
jaren worden geprocedeerd met Oene van Teijens cum sociis, die ook venen in die
streek bezaten, maar ten slotte kwamen de partijen tot overeenstemming en werd
de groep Van Teijens in de Compagnie opgenomen. Met het jaar 1716 beginnen de
rekeningen van onze Compagnie, waarvan toen deelgenoten waren Regnerus Andnaeus
Lycklama van Wyckel, Augustinus Lycklama à Nijeholt Il en diens gelijknamige
oomzegger, Regnerus van Andringa en Saco van Teijens de jonge. De afstammelingen
van de jongere Lycklama kregen door erfenis en koop later ook de overige
aandelen in banden. Hoe dit in zijn werk gegaan is, is ons niet in alle
onderdelen gebleken. In 1801 kochten zij 1/8 deel in de Compagnie van de andere
tak Lycklama, de huidige boerenfamilie van die naam, en van de familie Van
Scheltinga voor f 4.000,-. Vermoedelijk verwierven zij omstreeks dezelfde tijd
de aandelen der overige deelgerechtigden, de families Van Boelens, Van Andringa
de Kempenaer en Van Teijens, wier namen we sinds die tijd niet meer als
aandeelhouders tegenkomen.
Ook het nageslacht van Augustinus Lycklama à Nijeholt junior, hoewel toen nog
slechts uit acht personen bestaande, gevoelde toen reeds de behoefte aan een
meer geregeld beheer door enkelen uit zijn midden. In 1804 sloten zij een
overeenkomst over het beheer van hun gemeenschappelijke bezittingen; deze
conventie (Inv. nr. no 1.), was de grondslag der Compagnie gedurende de 19e
eeuw. In de 18e eeuw was het beheer gevoerd door een ontvanger, die om de
paarjaar rekening van zijn beheer deed. Van 1716-1737 was dit Dirck Haentjes
Hania, bijzitter van Opsterland, maar in 1739 was tot zijn opvolger benoemd een
der Compagnons, Saco van Teijens, en na diens overlijden in 1774 zijn zoon
Benedictus, die zich in 1791 terugtrok. In 1798 werd het beheer verdeeld. Boven
de ontvanger, die ook opziener of Compagnonsbaas genoemd werd, kwam te staan een
gecommitteerde als vertegenwoordiger der Compagnons.
Gecommitteerde en ontvanger in den ieder bepaalde ontvangsten en deden elk
bepaalde uitgaven. De gecommitteerde ontving o.a de termijnen van de koopsommen
van verkochte venen en de grondpachten en betaalde o.a. rente en aflossing van
opgenomen kapitalen, De ontvanger ontving o.a. huis- en landhuren, inkomsten uit
de vaarten met sluizen, bruggen en wallen, zetgeld, hond- en grondgelden en
betaalde het onderhoud van vaarten, sluizen, enz., belastingen en diverse andere
posten. Zijn saldo verrekende hij met de gecommitteerde, terwijl hij ook vaak
tussentijds voorschotten kreeg. In de 19e eeuw waren ontvangers Alle Wytzes van
der Sluis, Albert Berends Prakken, diens zoon Berend en Yeb Wybrandus Feikema,
burgemeester van Ooststellingwerf. In 1891 werd de administratie der
gecommitteerden overgenomen door de ontvanger.
Naast de administrerende gecommitteerde kwam voor of in 1804 nog een tweede
gecommitteerde. In 1846 werd een geassumeerd gecommitteerde benoemd om bij
verschil van mening tussen de beide gecommitteerden te beslissen. Als
administrerend gecommitteerde traden achtereenvolgens op jhr. Tinco Martinus
Lycklama à Nijeholt, David George Wijndels, jhr. Jan Anne Lycklama à Nijeholt,
mr. Reinhard baron van Harinxma thoe Slooten. Onder de andere gecommitteerden
waren leden der families Van Lynden, Van Eysinga, Wentholt, Van Welderen Rengers,
Manger Cats en Telting. Deze namen geven tevens een indruk van de families, die
in de Compagnie vertegenwoordigd waren. Als bezoldigde functionarissen treffen
we in de 19e eeuw nog aan een onderopziener en een amanuensis.
Bij het laatste moet niet aan een laboratorium-bediende worden gedacht, blijkens
de wijziging van deze titel in 1846 in die van raadsman. Amanuensis resp.
raadsman waren mr. Dominicus Suringar, advokaat, en notaris te Beetsterzwaag en
secretaris van Opsterland, mr. Anne van der Laan, griffier der Staten van
Friesland, en mr. Isaac Telting. Ingewikkelder wordt de zaak, doordat er behalve
de "grote boedel" van Augustinus ook nog drie "kleine boedels" waren van drie
kinderloos overleden zoons van de stamvader, Livius Suffridus, Lubbartus en
Daniël de Blocq Lycklama à Nijeholt, wier boedels eveneens door hun neven en
nichten gemeenschappelijk werden beheerd door middel van de gecommitteerden en
de opziener-ontvanger, maar waarin de aandelen ongelijk verdeeld waren.
Het aantal gerechtigden nam natuurlijk geleidelijk toe, zodat de persoonlijke
banden verslapten. Voelden zij zich omstreeks 1800 nog als één familie, een eeuw
later waren zij nog slechts aandeelhouders in een maatschappij tot exploitatie
van onroerende goederen.
De gang van zaken was in de 19e eeuw zo, dat jaarlijks in mei of juni een
vergadering werd gehouden van de Compagnons, doorgaans te Leeuwarden, waarop de
gecommitteerden een jaarverslag uitbrachten, hun rekening met bijlagen
overlegden, benevens een begroting voor het volgende jaar, en voorstellen
indienden. De Compagnons stemden hierover en over benoemingen naar rato van het
aandeel, dat zij in de Compagnie bezaten. De aanwezigen hadden vaak volmachten
van een aantal andere gerechtigden, voor wie zij dus ook mochten stemmen. Tot
1840 traden de gecommitteerden om de 2 jaar tegelijk af, daarna beurtelings.
Sinds 1891 was hun ambtstermijn verdubbeld. De administrerende gecommitteerde
werd als zodanig tot 1891 voor één jaar gekozen, sindsdien voor 2 jaar. Zoals
gezegd voerden de gecommitteerden van 1798-1890 een afzonderlijk financiëel
beheer. Uit het batig saldo der gecommitteerden werden de jaarlijkse
winstaandelen uitgekeerd aan de aandeelhouders Sinds 1850 werd reeds in november
of december van het betrokken jaar een voorlopige uitdeling gedaan, terwijl bij
het doen der rekening meestal een kleiner, eveneens afgerond bedrag werd
uitgedeeld en de rest van het saldo naar de nieuwe rekening overgeboekt. Het
saldo der kleine boedels werd in zijn geheel uitgedeeld.
Zoals de naam der Compagnie aanduidt, bestond haar bezit voornamelijk uit venen
en vaarten. Reeds in de 2e helft der 17e eeuw, kochten Augustinus en zijn neef
Lubbert Lycklama à Nijeholt venen te Appelscha en Fochteloo. De reeds vermelde
Augustinus senior en junior zijn de broer en de zoon van deze Lubbert. In de 18e
en in het begin der 19e eeuw werd veen vergraven in Opsterland en wel in de
zuidelijke dorpen, Kortezwaag, Lippenhuizen (tot ca. 1775), Hemrik en Wijnjeterp
(minstens tot 1808), waarvan wij de aankomsttitels niet meer terugvinden. Maar
reeds in 1694 sloot Augustinus Lycklama à Nijeholt een vrijkoopcontract met de
ingezetenen van Lippenhuizen, en sinds 1716 was hij met de Schoterlandse
Compagnons in een proces gewikkeld over venen te Hemrik en Wijnjeterp. Het veen
bij Kortezwaag werd het Nieuw-Opster-Gorreveen genoemd, en als middelpunt der
exploitatie ontstond hier aan de snijding van de hierna te bespreken
Compagnonsvaart en de Hereweg van Langezwaag naar Lippenhuizen het vlek
Gorredijk.
In de 19e eeuw verplaatste de vervening zich naar Ooststellingwerf, en wel
voornamelijk naar Fochteloo en Appelscha. De venen aldaar waren voor een deel in
handen van mede-eigenaren, die een aandeel in de opbrengst kregen, maar vaak
niet bij de afrekening verschenen, waardoor hun recht in vergetelheid raakte.
Ook werden zij wel afgekocht. Een der oorzaken van dit verschijnsel waren de
vrijkoopscontracten, waarbij de Compagnons aan veen-eigenaren de afvoer van hun
veen toestonden over de Compagnonsvaart tegen afstand van de ondergrond en een
deel (1/5) in het veen. Op deze condities zijn uit de jaren 1827-1830 een
twaalftal contracten aanwezig betreffende venen te Appelscha. Evenzo werden in
1880 contracten van vrijkoop gesloten met eigenaars van venen te Fochteloo.
Terwijl in de 18e eeuw de Compagnons een deel der venen zelf exploiteerden, werd
in de 19e eeuw alles verkocht in gedeelten, voortgaande overeenkomstig de
vorderingen van het graven van vaarten en wijken.
Hierbij moesten de kooppenningen in 5 jaarlijkse termijnen voldaan worden, en
jaarlijks deden de notarissen, die met de verkoop en de inning der koopsommen
belast waren, rekening aan de eigenaren. Deze veenverkopingen waren wel de
voornaamste bron van inkomsten der Compagnons. Alleen van 1798-1908 brachten zij
bruto ongeveer f 1.800.000, -- op. Van het verkochte veen werden vervolgens nog
hond- of uitvaartsgelden geheven als retributie voor het vervoer der turf over
de vaarten der Compagnons. Een andere bron van inkomsten waren de vrijkopen, die
in de 18e eeuw voor geld plaats vonden; in de 19e eeuw werd dit vervangen door
het bovengenoemde stelsel van afstand van de grond en een aandeel in het veen.
Vermelding verdient nog de vorming van een reservekas uit een belasting op de
opbrengst van de turf, ten behoeve der armen. In 1819 richtte een aantal
eigenerfden te Appelscha in verband met de veengraverij, die elders had geleid
tot grote armoede en zware lasten voor de armvoogdij, een verzoek aan de Koning
om aan de eigenaren der venen bij verkoop een belasting op te leggen. In 1828
kwam zodoende te Appelscha een reservekast tot stand; deze stond onder beheer
van gecommitteerden, te benoemen door Gedeputeerde Staten van Friesland, Evenzo
kwam door een vrijwillig besluit der Compagnons in 1861 een reservekas te
Fochtelootot stand. (Dergelijke kassen gevormd uit de opbrengst der z.g. veen-
en slikgelden, waren in de 19e eeuw algemeen in de Friese veengraverijen).
Ook aan de andere vaart der Compagnons bezaten dezen met mede-eigenaren venen en
wel vooral te Haulerwijk. Ook deze werden in de 19e eeuw bij openbare
veenverkopingen verkocht op dezelfde wijze als die te Appelscha en Fochteloo Te
Haule kwam een polder tot stand, de Hauler en Weperpolder. Ten slotte bezaten de
Compagnons nog venen te Smilde; hierover valt echter weinig mede te delen, daar
de archivalia met betrekking daartoe dateren uit de tijd van vroegere eigenaars
uit de 17e eeuw. Het merendeel dezer venen was blijkbaar in 1790 verkocht.
Uit het voorgaande blijkt wel de onmiddellijke samenhang tussen venen en
vaarten. Van deze vaarten was de thans nog zo genoemde Opsterlandse
Compagnonsvaart de voornaamste. Zij was de voortzetting van een vaart, het
Nieuwediep genaamd, die waarschijnlijk al in de 2e helft der 16e eeuw door Juw
of zijn zoon Sytse van Dekama gegraven was van de Boorn naar hun venen te
Kortezwaag. De doorgraving van de bovengenoemde Hereweg stuitte op tegenstand
wegens het gevreesde waterbezwaar. Hoewel reeds in 1606 Gedeputeerde Staten
consent gaven tot deze doorgraving, kwam zij pas ongeveer 20 jaar later tot
stand. Zoals reeds vermeld sloten in 1645 Johannes van Crack, Jacques van Oenema,
Saco Fockensen Saco Teijens de oude een overeenkomst om deze vaart voort te
zetten, maar pas in omstreeks 1700 konden zij de vaart naar Lippenhuizen graven.
Van 1736 af werd het werk voortgezet, en in 1783 werd de grens van
Ooststellingwerf bereikt tussen Wijnjeterp en Donkerbroek. Deze vaart was in
1702-1720 gekocht door Augustinus Lvcklama à Nijeholt van Willem van Haren en
mede-eigenaren. In 1780 kwamen zijn erfgenamen overeen met de landschap Drente
om de Opsterlandse vaart door Ooststellingwerf te verbinden met de smildervaart,
die ook aan de Compagnons toebehoorde. De Compagnons zouden het gedeelte
benoorden de Tjonger graven, Drente dat ten zuiden van die rivier. Drente had
zich slechts noodgedwongen verbonden tot dit werk om een betere afvoer voor zijn
venen te verkrijgen.
Inmiddels had echter Overijssel de afvoer via de IIssel vergemakkelijkt en
Drente staakte het werk, waaraan het nog maar weinig gedaan had omdat het
vreesde voor waterverlies. In Friesland werd ook tegenstand ondervonden, omdat
men daar vreesde voor overlast van het Drentse water. De Bataafse Republiek
aarzelde de verplichtingen van Drente over te nemen, en de gedurige
regeringswisselingen maakten het natuurlijk zeer gemakkelijk, de zaak op de
lange baan te schuiven. Koning Lodewijk Napoleon liet een onderzoek naar de
kwestie instellen en besloot op grond van het daarover uitgebrachte rapport tot
vernietiging van de overeenkomst van 1780 (1810).
De Compagnons, die omstreeks 1790 het graven der vaart hadden voortgezet tot
nabij de Tjonger, kregen het recht ook het gedeelte te graven, dat eerst door de
Staten van Drente had zullen worden aangelegd, nl. van de Tjonger tot Appelscha.
Een strook van 20 koningsroeden (ca. 80 m) breed aan de Friese zijde der grens
moest reeds volgens de overeenkomst van 1780 onvergraven blijven om waterverlies
voor Drente en waterbezwaar voor Friesland te verhoeden De Compagnons begonnen
in 1814 de vaart verder te graven en bereikten in 1815 Nanninga. in 1816
Oosterwolde en in 1817 Appelscha. Daarna groef men in verminderd tempo door tot
nabij de gestelde limiet (1820-1847).
Bij de kruising der Compagnonsvaart met de Tjonger werd laatstgenoemde met een
duiker onder de vaart doorgeleid (1813/14). In 1852 werd bij K.B. vergunning
verleend ook de grensstrook af te graven, maar slechts tot 60 cm boven de hoogte
der deuren van de schutsluizen in de Smildervaart; de voorwaarden der
veenverkopingen moesten aan Gedeputeerde Staten van Friesland ter goedkeuring
worden voorgelegd. De uitvoering van dit besluit stuitte vooral op bezwaren van
Drente. dat in 1791 een dam had aangelegd op het einde van de Wittewijk het
Drentse gedeelte van de verbinding en nu voorziening in het gevreesde
waterverlies verlangde alvorens die dam te willen wegnemen Zo sleepte de zaak
zich nog enige tientallen jaren voort. In 1866 begonnen de Conpagnons veen te
verkopen onder voorwaarde. dat een veenstrook van 16 m. onvergraven zou blijven,
terwijl de rest geheel vergraven mocht worden.
Hoewel dit in strijd was met het Koninklijke Besluit van 1852 keurden
Gedeputeerde Staten van Friesland deze verkoopsvoorwaarden goed Er waren echter
ook kopers van venen, die in vorige jaren verkocht waren, die in strijd
handelden met de daarbij gestelde voorwaarde, dat zij geen veen mochten
vergraven beneden 60 cm. boven het Drentse peil. In 1882 verscheen een nieuw
Koninklijk Besluit, waarbij vergunning verleend werd de veenstrook geheel af te
graven, mits langs de grens een waterkering werd aangebracht to 60 cm. boven
Drents peil. Pas in 1894 is de verbinding tussen Compagnonsvaart en Wittewijk
toch tot stand gekomen, doordat de dam in de Wittewijk doorgestoken werd. Dit
leidde echter tot het einde der scheepvaart op de Friese vaarten. want behalve
de Drentse werd voortaan ook de Ooststellingwerfse turf over Smildervaart en
Meppelerdiep naar de Zuiderzee vervoerd.
In de jaren 1848-1853 werd de vaart beneden Gorredijk noordoost-waarts verlegd
in verband met de bepoldering van het 6e en 7e Veendistrict. Dit gedeelte werd
poldervaart van het 6e en 7e Veendistrict, en het aansluitende gedeelte beneden
Gorredijk werd in 1884 aan de provincie Friesland in onderhoud en beheer
overgedragen. In 1888 volgde overdracht in eigendom van de gehele
Compagnonsvaart, nadat al omstreeks 1870 en 1880 plannen tot overdracht hadden
bestaan. Van de Compagnonsvaart uit werden ten behoeve van de afvoer, vooral van
de turf, kleinere vaarten en wijken gegraven.
De andere belangrijke vaart was die van Drachten over Ureterp, Friesschepalen,
de Wilp en Bakkeveen naar de venen van de Haule. Zij droeg verschillende namen:
in smallingerland Langewijk, in Opsterland Ureterpstervaart, Frieschepalenvaart
en Bakkeveenstervaart; door de Mandewijk ging deze over in de Haulerwijk. De
Drachtstervaart was reeds in het midden der 17e eeuw verlengd tot de grens
tussen Smallingerland en Opsterland bij Ureterperverlaat en werd enige tijd
later oostwaarts voortgezet tot bij Frieschepalen en vandaar met een bocht naar
het zuidoosten tot Bakkeveen. Via de Mandewijk werd zij begin 18e eeuw verder
verlengd Hier overschreed men de grens van Ooststellingwerf en groef eerst
zuidwaarts de later zogenaamde Oudewijk en einde 18e en in de eerste helft der
19e eeuw van hetzelfde punt oostwaarts de Haulerwijk, aan welker wallen het dorp
van die naam ontstond en die in het oosten een rechte hoek zuidwaarts maakte en
daarom van dat punt af Kromme-Elleboogsvaart werd genoemd.
Ook hier ontstond het verlangen naar een verbinding met Drente. Reeds in 1837
kwam een overeenkomst tot stand tussen de Compagnons en de Maatschappij van
Weldadigheid, die aan de overzijde der provinciegrens haar gestichten te
Veenhuizen had en zeer op een verbinding gesteld was wegens de hoge
vervoerskosten op de behoeften van die gestichten, o.m. mest voor de landbouw.
De 2e wijk der Kromme-Elleboogsvaart zou verlengd worden tot 40 m. van de
Fries-Drentse grens, terwijl een wijk van de Kolonievaart van Veenhuizen tot 10
m. van die grens zou worden gegraven. Overlading bleef dus nodig. In 1870 groef
de gemeente Ooststellingwerf, die in 1862 de Haulerwijk van de Compagnons had
gekocht, de 1e tot en met de 4e wijk door tot de provinciegrens, waar zij
verbonden werden met wijken in het Eenerveld. Tenslotte vond in 1879 een royale
verbinding plaats van de Kolonievaart met de zuidelijkste wijk der
Kromme-Elleboogsvaart.
Een plan, dat niet verwezenlijkt werd, was dat tot verbinding der
Bakkeveenstervaart met de Drentse wateren en de Haulerwijk via de Mieuwmeerswijk
in 1844. Tot verbinding met de Tjonger via de poelen ten noorden van Haule was
reeds in 1803 een poging gedaan. In dorso van een schetskaart lezen wij: "Is in
hetzelve jaar opgemaakt, doch heeft niet aan de verwachting beantwoord, zijnde
het stuiven van het zand ook zeer hinderlijk bevonden". De kaart van Eekhoff
duidt deze mislukte verbinding nog aan door een dunne lijn. De bedoeling was
volgens een overeenkomst met vrouwe Georgine Wolfeline Francoise Nering
Bögel-Lycklama à Nijeholt, door wier landerijen deze verbinding liep, "de
Haulerwyck..van meer water te voorzien", en het was dan ook niet een vaart, maar
slechts een "waterleydinge".
Ook omstreeks 1884 werd nog geklaagd over watergebrek, en toen werd in verband
met de Tjongerkanalisatie een plan gemaakt tot kanalisatie ook van het bovenste
gedeelte van de Tjonger en verbinding met de Kromme-Elleboogsvaart. Dit zou
tevens een verbinding betekenen tussen de Compagnonsvaart en Veenhuizen. Van
andere zijde kwam men toen met het denkbeeld het kanaal van Drachten naar
Veenhuizen te verbeteren en aan de provincie over te dragen. De Haulerwijk was
al in 1862 aan Ooststellingwerf verkocht.
Behalve de reeds genoemde vrijkopen en hondgelden bracht het bezit der vaarten
met hun verlaten, bruggen en wallen aan de eigenaars nog op tollen, schut- en
bruggewippersgelden en opslaggelden, terwijl zij er ook het visrecht bezaten,
maar van de exploitatie daarvan is ons niet gebleken. Deze inkomsten dienden tot
dekking der kosten van aanleg en onderhoud van vaarten, sluizen, bruggen en
wallen.
Behalve venenen vaarten bezaten de Compagnons ook huizen en gronden, vooral in
Opsterland en Ooststellingwerf. De Lycklama's hadden reeds sinds de 17e eeuw
grondbezit in Fochteloo en Appelscha, maar ook te Donkerbroek, Elsloo, Haule,
Haulerwijk, Oosterwolde, Nijholtpa, Makkinga, Norg en Roden, in Opsterland en
Schoterland Veel van dit grondbezit was reeds in de jaren 1782-1784 weer
verkocht. De Compagnie verkocht ook in de 19e eeuw nog verscheiden percelen,
vooral te Appelscha en Haulerwijk, maar verwierf ook nieuwe vastigheden, vooral
in Fochteloo en Appelscha. Een deel van het grondbezit werd verpacht voor
onbepaalde tijd, vooral te Haulerwijk, maar ook te Appelscha De grondpachten
werden veelal later afgekocht; bij deze afkoopkontrakten werden dus de pachters
eigenaars tegen betaling van een afkoopsom aan de Compagnons. De verkochte
veenondergronden te Gorredijk, Terwispel, Kortezwaag, Lippenhuizen, Wijnjeterp
en Appelscha bleven belast met een jaarlijkse retributie: het grondgeld.
Tenslotte waren er ook landerijen die verhuurd werden. Ander grondbezit was van
belang voor de vervening: ondergrond van venen, grond voor aanleg van vaarten
e.a. werken.
Huizen waren o.a. gebouwd bij de verlaten en werden samen met deze verhuurd als
sluiswachterswoning. Verder verhuurde de Compagnie nog een aantal huizen, o.m.
te Haulerwijk. Specialevermelding verdient de schans Breberg te Donkerbroek, die
in de 19e eeuw als woning door de Compagnons werd verhuurd en in 1843 verkocht
werd. In 1348 lieten de Compagnons een huis voor eigen gebruik te Appelscha
bouwen, dat in 1849 de naam Augustinus-State kreeg, een benaming die ons in meer
dan een opzicht vreemd aandoet. Het was bedoeld ten dienste van Gecommitteerden
voor het dagelijks beheer, en in 1855 werd er ook de vergadering der Compagnons
gehouden, bij wijze van uitzondering, want in 1849 was bepaald "dat het doel
niet is om de vergaderingen der Compagnieschap aldaar, immers niet in den regel,
te houden".
Wij krijgen de indruk, dat de stichting van dit gebouw, dat wel midden in het
werkterrein der Compagnie lag, maar voor de aandeelhouders en hun
gecommitteerden wat afgelegen, niet aan de verwachtingen heeft voldaan. In de
notulen wordt het zelden vermeld, en in 1878 werd besloten het te verkopen. Ter
toelichting deelde de administrerende gecommitteerde mede, "dat de kosten van
het bouwen van een nieuw Compagnieslogement geraamd zijn op de aanzienlijke som
van f 18.000, --, en dat er eigenlijk geen behoefte aan bestaat, ... dat voorts
het bezoeken van Augustinus-State door gecommitteerden en aandeelhouders zo
weinig heeft plaats gehad, dat het behoud voor Gecommitteerden onnodig is
tegenover het belangrijk jaarlijks onderhoud".
Andere bezittingen van de Compagnons waren de reeds terloops genoemde verlaten
en bruggen. In de Compagnonsvaart vond men acht sluizen: te Gorredijk,
Lippenhuizen, Hemrik, Wijnjeterp, Nanninga, Fochteloo en twee te Appelscha het
7e of Stokersverlaat en het 8e of Bovenste Verlaat. In het Veenkanaal naar
Bakkeveen bezaten de Compagnons het Ureterper en het Frieschepaalster verlaat.
Een register van gepasseerde schepen (1850-1887) kan een indruk geven van de
scheepsbeweging. De sluizen met hun inkomsten werden verhuurd; hierbij was ook
de sluiswachterswoning inbegrepen. Behalve de bruggen over deze sluizen bezaten
de Compagnons nog de Oordjesbrug over de Boorn te Akkrum en de Tijnje zetten in
het oude gedeelte van de Compagnonsvaart. Over de brug te Gorredijk werd in 1882
een overeenkomst gesloten met de Nederlandsche Tramweg Maatschappij die haar
tramlijnover deze brug legde en de daarvoor noodzakelijke vernieuwing (1883)
voor haar rekening nam.
Ten slotte bezaten de Compagnons nog duikers o.a. de reeds genoemde, in de
Tjonger, stalten te Gorredijk en wallen langs de Compagnonsvaart, die in de 19e
eeuw meermalen het onderwerp waren van geschillen over onderhoud, wegen zoals
die van het Ureterper verlaat naar de Lijkweg te Ureterp, en molens o.a. een
watermolen in de Haulerpolder, die in 1869 op afbraak werd verkocht.
Zoals gezegd behoorde aan de Compagnons behalve de nalatenschap van Augustinus
Lycklama à Nijeholt, ook die van drie van diens zoons: Lubbartus, Livius
Suffridus en Daniël de Blocq Lycklama à Nijeholt. De aandelen dezer vier boedels
waren echter over de erfgenamen ongelijk verdeeld, zodat er een afzonderlijk
beheer nodig was. De kleine boedels bestonden uit goederen van dezelfde aard als
de grote. Tot die van Livius Suffridus behoorden o.a. de grietmansbank in de
kerk te Gorredijk, die verhuurd werd, en de veengraverij het Schijtland te
Boornbergum. Tot de boedel van Daniël de Blocq behoorden o.m. goederen te
Bakkeveen, Smilde en Beets.
Onder de afdeling diversen zijn enige stukken verenigd betreffende verschillende
aangelegenheden, waarmee de Compagnons zich hebben ingelaten, zoals de bouw van
een kerk te Nieuw-Appelscha, waarvoor zij een gift van f 500,-- schonken,
terwijl een bijdrage voor de school te Haulerwijk, in 1829 door de Gouverneur
van Friesland gevraagd, vermoedelijk geweigerd is. Verder treft men daar aan een
aantal stukken van onbekende herkomst. Hierbij zijn ook geplaatst stukken uit de
nalatenschap van de advocaat der Compagnons Mr. A. van der Laan uit het midden
der 19e eeuw.
Het archief van de opziener, dat met dat van de Compagnons zelf vermengd was
geraakt, was hiervan moeilijk weer te scheiden. Behalve in gekomen brieven en
registers van verzonden brieven, rekeningen en dergelijke hebben wij echter
hieronder gebracht een aantal stukken, die blijkens daarop gestelde
aantekeningen voor de opzieners Prakken en Feikema bedoeld waren.
Het archief bevat ook een honderdvijftigtal kaarten, getekende en gedrukte, en
tekeningen uit de 18e en 19e eeuw, benevens 20 kaarten en tekeningen uit de
jaren 1633-1637 door Pieter Serwouters in de door deze gehouden journalen der
Smilder Veencompagnie, die in het archief der Opsterlandse Compagnie terecht
zijn gekomen. Vele van deze kaarten zijn helaas min of meer beschadigd, sommige
zeer ernstig. Van sommige 18e eeuwse kaarten is wegens hun slechte toestand in
de 19e eeuw een copie gemaakt.
Tenslotte mogen hier enige cijfers volgen over de financiële resultaten van de
Compagnie. In de jaren 1716-1723 droegen de toenmalige Compagnons f 20.000, --
bij als inleg, de kosten waren dus toen nog hoger dan de baten. In 1727 kon de
eerste uitkering plaats vinden van f 1600,-- winst, gevolgd door gelijke
bedragen in 1733, 1735 en 1743 en in 1741 zelfs van het dubbele bedrag. Van
1746-1767 werd jaarlijks f 3.200, -- uitbetaald, daarna daalde het bedrag weer.
Van 1778 tot 1799 werd in 't geheel niets uitgekeerd, maar daarna begonnen de
uitdelingen weer en waren de eerste jaren zelfs aanzienlijk, van 1800-1802 samen
f 3.300,--, daarna veel lager. Tot 1845 varieerden ze van f 350,-- tot f
5.000,-- per jaar, maar daarna kwamen de vette jaren: 1846-1869 van f 12. 000,
-- tot f 28.000,-- en 1870 tot 1881 zelfs van f 30.000,-- tot f 64.000.--.
De volgende jaren werden besteed aan het kweken van een reservefonds, zodat in
de jaren 1882-1884 in totaal slechts f 8.000,-- tot uitkering kwam. Daarna steeg
het bedrag weer en varieerde van 1885 tot 1906 van f 11.000,-- tot f 25.000,--.
De beide laatste jaren voor de oprichting der Naamloze Vennootschap waren weer
magerder. In totaal werd in de 192 jaren, waarover de rekeningen lopen, netto f
1.726.000,-- uitgekeerd en een reservefonds van f 175.000,-- gekweekt d.i. een
gemiddelde opbrengst van bijna f 10.000,-- per jaar. De winst zal echter in
feite lager gesteld moeten worden, daar het kapitaal aan venen in deze periode
voor een groot deel uitgeput geraakte. Het ontbreken van balansen staat ons niet
toe hierover cijfers te geven.
Wel kunnen we iets te weten komen omtrent de waarde van het totale bezit der
Compagnons. Sinds 1798 werden de fracties, die de verschillende erfgenamen in de
boedel Augustinus Lycklama à Nijeholt bezaten, uitgedrukt in tweehonderdsten.
Zulke aandelen, die dus 1/200 van de gehele boedel vertegenwoordigden, werden in
het midden der 19e eeuw voor de belasting aangegeven voor f 500,--, maar in 1845
voor f 1.000-- verkocht, omstreeks 1868 voor f 800, - à f 900,--. Deze bedragen
leveren dus een waarde voor de gehele boedel op van f 100.000,-- à f 200. 000.
--. De gecommitteerde Lycklama à Nijeholt berekende in 1875 de waarde van de
grote boedelop f 472.000,-- en die van de drie kleine boedels samen op f
47.000,--. In 1887 kwam hij voor de grote boedel op een waarde van f 408.000,--.
De vooruitgang in betekenis van de Wouden, die voor een groot deel aan de
vervening is toe te schrijven, blijkt o,a. duidelijk uit de bevolkingscijfers.
In 1953 was de bevolking van Friesland 364 % van die van 1714, maar voor de
Wouden en veenstreken waren deze cijfers aanzienlijk hoger: Tietjerksteradeel
392, Kollumerland 395, Doniawerstal 419, Haskerland 447, Achtkarspelen 522,
Dantumadeel 548, Heerenveen 550, Opsterland 558, Weststellingwerf 571,
Lemsterland 720 Smallingerland 883 en Ooststellingwerf 1007. Laag daarentegen
zijn de cijjfers vooral in de greidhoek: Hennaarderadeel 246, Franekeradeel 239.
Rauwerderhem 233, Wonseradeel 182 en Baarderadeel 180. Zo is mede door de
vervening het zwaartepunt van Friesland, dat voorheen geheel op de klei lag,
sterk naar het oosten verplaatst.
|