Geschiedenis 2

 


 

Site Meter

Terug Deel 1.

Ds. B. DE JONG BLIJFT 14 MAANDEN IN ONS MIDDEN.
Op 17 november 1867 deed candidaat de Jong zijn intrede in Haulerwijk - Donkerbroek. Nog maar nauwelijks met zijn werk begonnen kwam op de kerkeraad een verzoek van gemeenteleden uit Haulerwijk binnen dat ze graag zagen, dat Ds. de Jong op 3 plaatsen in Haulerwijk (bedoeld zal zijn Haulerwijk boven, Haulerwijk midden en Haulerwijk beneden) zou gaan catechiseren. Ook moest hij in Donkerbroek catechisatie geven. De kerkeraad was van oordeel „dat dit in het gure jaargetijde voor de predikant, die in Donkerbroek woonde, een te drukkende last zou zijn". Auto's bestonden toen nog niet, zelfs geen fietsen, zodat hij die afstand dan telkens te voet zou moeten afleggen. Ds. de Jong bleek over  diplomatieke gaven te beschikken. Hij antwoordde namelijk: „Ik zal wel zien wat mogelijk is".

Preeklezen tweede rangs?
Enkele maanden later stelt Ds. de Jong tijdens de kerkeraad voor de leesdiensten, die 's zondagsmiddags in Haulerwijk gehouden werden, af te schaffen, „omdat er dan toch geen volk opkomt". De notulen vermelden: „na vele discussies eindigt deze zaak in de stelling, door ouderling Veenboer uitgesproken, dat het preken van een dominee en het preeklezen door een ouderling hetzelfde zijn". Waarna Ds. de Jong opmerkt, „dat zijn komst naar hier dan overbodig is geweest, omdat men hier dan altijd wel een preek had kunnen lezen".

Weer wat nieuws, zeiden ze toen.
Op 20 maart 1868 stelde ouderling Kleistra voor „dat de kerkeraadsleden tijdens de kerkdienst onder het bidden zullen gaan staan", welk voorstel met grote meerderheid wordt aangenomen.

De armoede van die tijd.
In die tijd heerste bij velen een armoede, die ons nu als onwerkelijk voorkomt. Uit de notulen citeren wij 2 voorbeelden. Uit die van januari 1869: „wordt gesproken over de gezinnen P. en W. dat zij de diepste armoede ten prooi zijn en niet genoeg ondersteuning erlangen van de Armvoogden dezer Plaats. Besloten wordt hen een liefdesgift van f 5,- te geven, die als van een onbekende gever hun geschonken zal worden. Diaken T. Klooster zal bovendien over hen met de Armvoogden spreken".
Nog een voorbeeld. Ouderling P. Veenboer rapporteert, dat hij een brief ontvangen had van Ds. Talsma uit Zaandam, vroeger Leeraar alhier. Deze berichtte, dat hij in zeer bezwarende omstandigheden verkeerde. Ds. Talsma bezat nog een rekening van dokter van der Sluis uit Oosterwolde á f 20,-, die hij niet betalen kon. Na een breedvoerige bespreking werd besloten deze rekening te voldoen „uit innig medelijden met dien broeder".

Verandering van spijs.
In april 1869 sprak ouderling Veenboer „over de wenselijkheid om eens bij het lezen van Catechismuspreken van Handleiding te veranderen". De vergadering besluit daarop tot aankoop van „Stuiversleerredenen" en de Catechismus van Gezelle Meerburg".

Ds. de Jong vertrekt.
Na een jaar onze gemeente gediend te hebben, vroeg Ds. de Jong attest aan naar Koudum wegens aanneming van het beroep. Of de bij zijn komst volle Keulse pot met bonen toen reeds leeg was, vermelden de notulen niet.

WE ZIJN WEER LANGE TIJD VACANT. 1869 - 1875.
Na het vertrek van Ds. de Jong ontstond er in 1869 weer een vacature, die deze keer 6 jaar duren zou. Dat de kerkeraadsleden daardoor extra belast werden, spreekt vanzelf. Temeer omdat verschillende zaken weer de aandacht vroegen.

Een onbetaalde rekening.
In de vorige eeuw waren de wegen nog ongeplaveid en onverlicht. Zo leverde de reis naar het toen „verre Heerenveen" vaak bezwaren op. Dat blijkt ook uit de notulen van oktober 1870: „We hebben bericht ontvangen dat de classis in Heerenveen een week wordt uitgesteld. Omdat het die nacht donkere maan zal zijn, besluiten we tegen deze beslissing te protesteren en delen we hen mee op die dag niet met een afvaardiging aanwezig te zullen zijn. Twee maanden later kwam er een brief van de classis terug. „De classis broeders gaven daarin hun ongenoegen te kennen wegens het wegblijven van onze afgevaardigden. We werden ook aangemaand de verteringskosten, die de classis die dag gemaakt had, mede te betalen. Maar omdat de vertering door ons niet gebruikt is, zullen we bij de classis protesteren. We hadden hen de reden opgegeven waarom we niet aanwezig zouden zijn".

Kerk en Politiek in 1870.
In 1870 besloot de Overheid de doodstraf in Nederland af te schaffen. We lezen in de notulen van maart 1870: „In de classicale lastbrief besluiten we op te nemen of men classicaal zal reclameren aan de Tweede Kamer der Staten Generaal om de doodstraf volgens de wet te behouden naar het Woord des Heeren".

Kan de koe het quotum wel produceren?
In de vergadering van mei 1870 kwam het lidmaat H. met verzoek om een bijdrage om een koebeest te kunnen kopen. Na een langdurige discussie werd besloten dat H. een bijdrage tot een koebeest zou krijgen van 70 gld. tegen behoorlijke interest en termijnen van afbetaling. „Een Commissie zal echter eerst beoordelen of er op het land wel een koebeest kan bestaan".

Brief uit Noord Amerika.
In de vorige eeuw vertrokken veel Gereformeerden mede uit godsdienstige overwegingen naar Noord Amerika om te pogen daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ook uit onze gemeente vertrokken toen „landverhuizers" naar de Nieuwe Wereld. Uit de notulen van 6 oktober 1871: „Er is een brief binnengekomen van onze veelgeachten Broeder en Diaken Willem Veenboer en zijn gezin uit Noord Amerika, waaruit bleek dat zij met onheilen te worstelen hadden maar tevens blijdschap hadden wegens de dochter Grietje, die bij vernieuwing Het Genadeverbond omhelsde".

We gaan weer beroepen.
In oktober 1871 brachten we een beroep uit op Ds. Bramer van Idskenhuizen, maar deze bedankte. In 1872 werden nog 4 beroepen uitgebracht, maar alle zonder resultaat. Hoewel er vroeger reeds plannen waren geweest de combinatie Haulerwijk/Donkerbroek op te heffen, viel in 1873 het besluit dat elke gemeente zelfstandig verder zou gaan.

Hoe de scheiding met Donkerbroek tot stand kwam.
Tot 1873 hadden we steeds met Donkerbroek één gemeente gevormd. We hadden samen één Dominee en er was één kerkeraad. Wel had ieder een eigen kerkgebouw en als de Predikant 's morgens in Donkerbroek preekte deed hij dat 's middags in Haulerwijk. De Pastorie stond die jaren in Donkerbroek. In 1855 was reeds overwogen of het niet beter zou zijn, dat beide gemeenten geheel zelfstandig werden. Er was toen een Commissie gevormd, die uit 4 leden bestond: 2 uit Donkerbroek en 2 uit Haulerwijk. Deze Commissie rapporteerde in februari 1856: „Dat het op geen wederzijds goed te keuren gronden schijnt te kunnen geschieden".
Toch was het geen bevredigende situatie, want enkele jaren later kwam men er weer op terug. Voorgesteld werd alle bezittingen en schulden gelijkelijk te verdelen, maar ook toen gingen deze plannen niet door. Blijkbaar deinsde men toen nog voor de financiële consequenties terug. In 1873 kwam echter alles in een stroomversnelling. In juni van dat jaar werd besloten de combinatie tussen beide gemeenten op te heffen en dat elke gemeente verder een eigen weg zou gaan.

De eerste kerkeraadsvergadering.
Gelukkig bezitten we nog alle notulen van de kerkeraadsvergaderingen, die sinds 1873 in Haulerwijk gehouden zijn. De eerste kerkeraadsvergadering na de scheiding met Donkerbroek werd op 12 juli 1873 gehouden ten huize van M. F. ten Hoor, die als „schadeloosstelling voor benoodigdheden" (bedoeld zal zijn verwarming, koffie, tabak etc.) telkens een vergoeding van f 1,- ontving. Ouderling waren toen J. van der Zee, M. F. ten Hoor, en P. Veenboer. Diaken waren K. Bergsma, H. G. Klooster en A. O. Hartholt. En Kerkvoogden: E. R. van der Wal, F. B. de Haan en J. van Houten.

Nog steeds Kerkvoogden.
De functie van „Kerkvoogd" is een verhaal apart. Toen we nog met Donkerbroek gecombineerd waren, had de kerkeraad reeds op 18 december 1855 uitgesproken dat de functie van „Kerkvoogd", die men destijds van de Hervormden had overgenomen, moest worden afgeschaft „als zijnde noch in de Heilige Schrift noch in de Formulieren van Enigheid gegrond". Er werd toen tevens besloten dat een extra diaken het werk van de kerkvoogden zou overnemen, maar blijkbaar was dit besluit niet uitgevoerd.

Alle begin is moeilijk.
Wat op de eerste kerkeraadsvergadering in juli 1873 besloten werd? Wel, in de notulen staat: „is gehandeld hoe men verder werkzaam zal zijn tot uitbreiding en opbouwing van Gods Kerk en gemeente aan deze Plaats en welke middelen in 't werk moeten worden gesteld ter bekoming van een Herder en Leeraar, een Pastorie enz. Daar er zich vele zwarigheden hieromtrent voordoen, zal deze zaak eenige tijd een biddende overweging behoeven en zal men hier nader op terug moeten komen".

Hoe komt de Leeraar onderdak?
Een van de eerste problemen waar de kerkeraad mee te maken kreeg was de vraag: wat gaan we nu eerst doen? Een leeraar beroepen of een pastorie bouwen? Na de gemeenteleden geraadpleegd te hebben besloot men eerst tot Pastoriebouw over te gaan. Toen daarvoor een rondgang gehouden werd, wilden velen wel een bijdrage geven, mits de kerkeraad hun eerst vertelde op welke plek de Pastorie gebouwd zou worden. Deze stelde voor de Pastorie te bouwen in de nabijheid van het huis van M. F. ten Hoor. Ook overwoog men „dat het kampje land van Wiebe Lamsma een geschikte plaats kon zijn". Intussen werd ook overwogen of men niet een Pastorie kon huren. De algemene gedachte was echter „dat dit bezwaarlijk zou gaan". Toch slaagde men erin, omdat E. R. van der Wal een kamer als Pastorie aanbood. Deze werd gehuurd voor f 2,- per week. Gelijkertijd werden daarin bedsteden getimmerd voor f 20,-.

We gaan weer beroepen.
Toen was de Leeraar onderdak, maar er moest nog wel iemand beroepen worden. We gingen dit doen met een tractement van f 600,- per jaar. Uit een opgemaakt tweetal werd vervolgens candidaat Huls beroepen, die dit aannam. Hij werd op 4 april 1875 bij ons bevestigd.


DE JAREN, DAT DS. HULS BIJ ONS PREDIKANT WAS. 1875 - 1878.

We krijgen een nieuwe kerk.
Het is spijtig dat de notulen uit die jaren niet alles vermelden. Zo zijn er verschillende zaken waar we graag nader over geïnformeerd hadden willen worden, maar die niet meer te achterhalen zijn. Dit is geen kritiek op de ambtsdragers van toen, want met hun lange werktijden en gebrekkige opleiding hebben ze steeds het beste voor onze gemeente gezocht. Dit geldt ook voor de scriba van toen - M. F. ten Hoor - die 's avonds bij een petroleumlampje met een kroontjespen en een potje inkt het behandelde aan het papier toevertrouwde. Al was het voor ons wel eens moeilijk al het opgeschrevene te ontcijferen.
Zo vermelden de notulen van 21 juni 1876 plotseling: „de nieuwe kerk is aanbesteed voor de som van f 2725,-. Wie de kerk bouwde, hoeveel zitplaatsen er waren, hoe men de kerkbouw financierde, vermelden de notulen niet. Het moet wel een primitief gebouw geweest zijn, want er lag bijv. geen vloer in en ook een orgel ontbrak. De notulen vermelden slechts dat men voor de kerkbouw f 600,van de Diaconie leende. En dat de Diaconie voorlopig van deze som geen rente kreeg „met het oog op de geringe toestand der kerkelijke kas". Om alles even te verduidelijken: dit kerkje was niet ons huidige kerkgebouw, dat in 1931 in gebruik werd genomen. Zie later. Het oude kerkje uit 1876 stond op de plaats van het huidige Verenigingsgebouw „Pro Rege".

Besluit aangaande de Doop.
Het was in die tijd gebruik, dat ouders, die hun kind wilden laten dopen, op de kerkeraad kwamen, waar met hen over de Doop gesproken werd. Ouders die zelf gedoopt waren, kregen dan in de regel toestemming hun kind ten Doop te houden, ook al hadden ze zélf geen belijdenis gedaan. In de vergadering van 10 mei 1877 werd besloten: „dat de ouders, die hunne kinderen gedoopt wensen te hebben, op de kerkeraad moeten komen, waar hun gewezen zal worden op het verband van Doop en Avondmaal en op de noodzakelijkheid der belijdenis volgens Gods Woord en de Kerkorde".

Ds. Huls vertrekt, we gaan dadelijk weer beroepen.
Na ongeveer 3 jaar bij ons werkzaam te zijn geweest, vertrok Ds. Huls op 1 december 1878 naar Vries. Na de classis toestemming gevraagd te hebben besloten we met een jaarlijks tractement van f 700,- weer te gaan beroepen. Er werd een Commissie benoemd, die de opdracht kreeg elders dominees „te gaan horen". Twee Commissieleden reisden naar Onstwedde, waar Ds. Bennink stond. Ze hoorden hem daar preken en hebben ook „Zijn Eerwaarde persoonlijk bezocht en met hem gesproken. De Leeraar heeft goed voldaan, zodat we besluiten hem te verzoeken hier te komen prediken". Een maand later werd Ds. Bennink met 2 anderen op een drietal geplaatst. Toen werd Ds. Bennink „met bijna alle stemmen tot onze Herder en Leeraar verkozen en is Zijn Eerwaarde reeds den beroepsbrief toegezonden. En heeft Zijn Eerwaarde ons het verblijdende bericht gezonden: Ik kom tot U, zoo de Heere wil".

DE BEWOGEN JAREN VAN DS. BENNINK IN HAULERWIJK. 1879-1883.

De duiveschieters van Donkerbroek.
1 - 0. Toen Ds. Bennink nog maar amper de voorzittershamer had overgenomen, kwam op de kerkeraad de klacht binnen, dat Ds. Breitsma van Donkerbroek leden van onze gemeente, die in Haule woonden, opwekte om bij hem de catechisaties te volgen. Hij zou hen ook opwekken bij hem belijdenis te doen. Bovendien zou hij kinderen dopen van ouders, die lidmaat waren van onze Gemeente. We besluiten hier werk van te gaan maken en bij Donkerbroek schriftelijk te protesteren. 1 - 1. Per kerende post ontvingen we een brief van Donkerbroek terug: „Bij ons is van aldatgene, waarvan gij ons beschuldigt, niets bekend".

We gaan naar de classis.
Om aan de patstelling (welles-nietes) een einde te maken, besloten we ons op de classis Heerenveen te beroepen. Toen we 4 jaar eerder in juni 1875 van Donkerbroek waren gescheiden, had de classis bij de alimentatie regeling uitgesproken: „dat de leden in Haule vrijheid werd gelaten bij welke gemeente ze in 't vervolg wilden behoren bij Donkerbroek of Haulerwijk". We brachten hiertegen in, dat vóór de scheiding Haule bij Haulerwijk behoorde en wilden dan ook dat de classis het genomen besluit herzag. Dit deed die classis inderdaad, want op een volgende vergadering werd uitgesproken: „dat Haule op grond van de geleverde bewijzen uit de Geschiedenis bij Haulerwijk behoort".

De reactie van broeder B.
Na dit classisbesluit was de kerkeraad van Haulerwijk nog niet klaar met broeder B. Deze woonde met zijn gezin in de Haule, maar wilde bij de Gemeente van Donkerbroek blijven. Daarop togen we weer naar de classis met de vraag, hoe we met zo'n weerspannig schaap moesten handelen. De classis zei: Br. B. behoort bij Haulerwijk en jullie moeten zijn verzoek om bij Donkerbroek te mogen behoren niet inwilligen. Want dat zou „tot verwarring en afwijking van het recht leiden". Toen br. B. zijn been echter stijf hield werd hij „hoewel de kerkeraad dit noode en met smart besloot van het Avondmaal afgehouden in hope dat de Goede Herder ook dit dwalend schaap terecht moge brengen". Waarna br. B. besloot als lid van de Gemeente Haulerwijk te bedanken.

Een nieuwe Horeca gelegenheid?
Intussen kwamen in 1880 nog meer problemen aan de orde. „Werd ter sprake gebracht of het niet wenselijk zou zijn een „koffiehuis" (bedoeld zal zijn een consistoriekamer) bij de kerk te bouwen". Na bespreking werd de wenselijkheid hiervan onderkend, doch om financiële redenen wordt besloten voorshands niet met deze zaak te beginnen, daar er meer behoeften van dien aard aanwezig zijn, zoals vloeren in de kerk en een turfschuurtje bij de kerk. „Is besloten zo spoedig mogelijk vloeren in de kerk te timmeren en een diakenbank in orde te laten maken".

Naar het land van Bartje.
Tot augustus 1880 ressorteerde onze Gemeente onder de classis Heerenveen. In augustus 1880 besloten we een verzoek in te dienen bij de classis Assen of we voortaan bij die classis konden worden ingedeeld. „Omreden de betere reisgelegenheid (bedoeld werd rechtstreekse verbinding met de jaagschuit, „snik" naar Assen) en de mindere kosten voor de Gemeente". We kregen bericht dat de classis Assen hiertegen geen bezwaar had en van de classis Heerenveen dat ze ons „node" lieten gaan.

Pastorale zorg aan de Bisschop.
Uit de notulen van augustus 1880: „is gehandeld over leden van onze gemeente, die in de Bisschop wonen en die wegens de kortere afstand ter kerk gaan bij de Herv. Leeraar Ds. Bolkestein. We zullen hen bezoeken en hen hierover onderhouden". In de volgende notulen lezen we „dat het bezoek goed gevolg heeft gehad".

Het conflict breekt uit.
In juni 1881 brak op de kerkeraad een hevig conflict uit, waarvan de Christelijke Jongelingsvereniging de oorzaak was. In die tijd bestond deze Vereniging nl. uit Jongeren die lid van de Geref. Kerk waren, maar ook uit Jongeren, die tot de Baptisten Gemeente behoorden. Een deel van de kerkeraad was van oordeel, dat dit niet juist was en dat er een Jongelingsvereniging opgericht moest worden zonder Baptisten jongeren. Een ander deel van de kerkeraad (de minderheid) nam een wat ruimer standpunt in en oordeelde dat dit geen kerkeraadszaak was, omdat de Christelijke Jongelingsvereniging zelfstandig was en aan de kerkeraad dus geen verantwoording behoefde af te leggen. Met meerderheid van stemmen werd besloten de jongelingen op de kerkeraad uit te nodigen. Toen ze verschenen, kregen ze van de meerderheid het advies zich van de Baptisten af te scheiden. De meerderheid wilde de nieuwe J. V. vervolgens met raad en daad bijstaan. Niet dat deze kerkeraadsvergadering vlekkeloos verliep. Een van de kerkeraadsleden, die tot de meerderheid behoorde, ouderling H. verweet een lid van de minderheid, diaken W. „dat hij verkocht was aan een duivelse leer". In de notulen van 1881 staat: „verder heeft de bespreking nog vele woorden uitgelokt, die niet altijd zalvend waren en ook niet tot een gunstig resultaat leidden. Omdat de een na de ander uit de vergadering wegliep, werd deze niet op de gebruikelijke wijze gesloten".

Steeds grotere verwijdering.
Hiermee was de onderlinge verstandhouding tussen de meerderheid en de minderheid op de kerkeraad duchtig verstoord. Het Avondmaal kon dan ook niet in goede verstandhouding worden gevierd. Ds. Bennink verklaarde het Avondmaal wel te willen bedienen, maar wilde er zelf niet aan deelnemen. Toen het Avondmaal toch op deze wijze gevierd werd en de meerderheid daarover haar misnoegen uitsprak, besloot men zich op de classis Assen te beroepen.

De classis doet verzoeningspoging.
Deze sprak op 8 januari 1882 uit, dat ouderling H. „hoezeer hij ook de Baptistische leer verfoeide, toch zijn uitdrukkingen tegen de diaken W. herroepen moest. Deze uitdrukkingen waren: „dat onze Jongelingsvereniging zich half verkocht had aan een duivelse leer, dat de Vereniging haar beginsel verloochend had en de Gereformeerde leer half vaarwel gezegd had door de vermenging met de Baptisten". Ook sprak de classis uit, dat de nu bestaande scheiding onzer J. V. met die Baptisten voorlopig gehandhaafd moest blijven.

Kom in de ring, ja gezellig.
Ook na dat classisbesluit keerde de rust niet weer. Tijdens de volgende kerkeraadsvergadering, die in een geladen en emotionele sfeer gehouden werd, liep alles behoorlijk uit de hand. Het regende verwijten over en weer en het ging er zeer menselijk toe. De praeses Ds. Bennink moest regelmatig de hamer hanteren om de leiding in handen te houden. Toen ouderling H., die tot de meerderheid behoorde een opmerking plaatste, die bij de Praeses verkeerd viel, liet deze zich de opmerking ontvallen: „houd gij uw b.. maar met uw machtsspreuken". Toen werd het even stil, want zo'n kopstoot had men van een predikant blijkbaar niet verwacht. Hierna werd Ds. B. echter door diaken W., die tot de minderheid behoorde, over deze uitschieter vermaand. Als diaken W. gedacht had met zijn vermaning olie op de golven geworpen te hebben, had hij de sfeer verkeerd ingeschat, want de olie was op het vuur terechtgekomen. W. kreeg toen namelijk van ouderling H. het verwijt te horen: „houd gij u maar stil, gij hebt uw belijdenis ook al verloochend". Toen sloegen de stoppen helemaal door, want toen de minderheid de meerderheid verweet, dat zij „afbrekers van de gemeente waren", ontstond opnieuw een groot tumult. Ds. Bennink moest weer met de hamer roffelen om stilte te krijgen. Waarna diaken L. wiens gehoororganen al die decibels blijkbaar niet verwerken konden, opmerkte: „gij behoeft niet zo met de hamer te slaan, dominee". Toen Ds. B. ouderling H., die een al te pittige opmerking gemaakt had, weg wilde sturen „openbaarde H. zich in een mildere stemming".
Hierna zagen sommigen blijkbaar in, dat ze over de schreef waren gegaan, en namen ze hun woorden deels terug. „Waarover zij, die hierbij tegenwoordig waren, zich verheugden". In ieder geval vermelden de notulen, dat men hierna wel Avondmaal kon vieren.

De Kerkvisitatoren komen te hulp.
Nadat een week later weer een vergadering gehouden werd, kwam men niet tot overeenstemming. Daarop werden de kerkvisitatoren te hulp geroepen om over het gebeurde een oordeel uit te spreken. Zij spraken op 28 juni 1881 o.a. uit: „dat zij de onaangenaamheden betreurden, die rond de uit jongeren der gemeente en uit de jongeren der Baptisten bestaande J.V. waren ontstaan. En dat zij inzonderheid de verwijdering tussen de kerkeraadsleden onderling betreurden. Ze wekten de kerkeraadsleden dan ook op alles aan te wenden om in de gemeente de rust en vrede te bewaren".
Hoe weloverwogen deze uitspraken van de kerkvisitatoren ook waren, toch bereikten ze niet het doel. Vooral de verstandhouding tussen Ds. Bennink en de scriba ouderling B. bleek zo verstoord, dat samenwerking practisch onmogelijk was geworden. Ook kreeg Ds. Bennink van sommige kerkeraadsleden het verwijt te horen „dat hij de kansel misbruikte om hen te kwetsen en af te ranselen". Hierop besloot Ds. Bennink als voorzitter van de kerkeraad af te treden. Bovendien legden 1 ouderling en 1 diaken hun ambt neer. Besloten werd dan ook voorlopig geen Avondmaal meer te vieren. Zo sudderde het conflict in 1882 verder. Van de maanden oktober, november en december van dat jaar bestaan zelfs geen notulen.

De classis grijpt in.
Intussen riep een deel van de kerkeraad, dat uit 2 ouderlingen en 2 diakenen bestond, eigenmachtig een Gemeentevergadering bijeen om deze voor te lichten. Toen de tweespalt ook in de gemeente steeds meer toenam, besloten de overige kerkeraadsleden zich weer tot de classis Assen te wenden. Hierop besloot deze classis de 2 ouderlingen en 2 diakenen, die eigenmachtig een gemeentevergadering bijeen geroepen hadden, volgens art. 79 en 80 van den kerkenorde in hun ambt te schorsen. Gezien de toestand in de gemeente werd echter besloten dit besluit niet dadelijk uit te voeren, maar eerst nog ter beoordeling aan een Classicale Commissie voor te leggen. Hierna vergaderde de halve kerkeraad verder, omdat de ambtsdragers, die volgens de classis „schorsenswaardig" waren, niet meer ter vergadering kwamen. Het Avondmaal werd niet meer gevierd en de financiële toestand van de gemeente werd zorgwekkend.

Ds. Bennink losgemaakt van Haulerwijk.
Toen zag de classis geen andere mogelijkheid meer dan om Ds. Bennink van Haulerwijk los te maken en voor andere gemeenten beroepbaar te stellen. Eveneens besloot de classis dat na deze losmaking in Haulerwijk een vrije verkiezing voor ambtsdragers gehouden moest worden. Het resultaat was dat alle „geschorste" ambtsdragers door de gemeente herkozen werden, zodat de lege plaatsen weer konden worden aangevuld.
Hoewel Ds. Bennink dus geen predikant van Haulerwijk meer was, bleef hij - zolang hij geen beroep naar elders gekregen had - hier wel in de Pastorie wonen. Toen hij in februari 1884 vroeg, of hij hier nog eens preken mocht, besloot de kerkeraad met algemene stemmen dit niet toe te staan. Wel zou hij zo spoedig mogelijk zijn tractement ontvangen. Om dit bijeen te brengen zou een rondgang door de gemeente worden gemaakt. In juni 1884 vermelden de notulen, dat Ds. Bennink zijn kind had laten dopen in de kerk van Donkerbroek, waarover de kerkeraad zeer ontstemd was. Maar de classis adviseerde: laat die doop in Donkerbroek toch rusten!
In juli 1884 kreeg Ds. Bennink - wij veronderstellen tot zijn vreugde - een beroep naar Bergentheim in Overijssel. Deze kleine gemeente was echter niet in staat een minimum predikantstractement bijeen te brengen. Om dit beroep toch mogelijk te maken, besloot de classis Assen hierin financieel bij te springen. Maar deze classis legde tevens Haulerwijk de verplichting op een deel van dit bedrag te betalen. Toen liet de kerkeraad van onze goede gemeente - schrijver spreekt uit ervaring - zich in haar kleinheid kennen. Wat de classis ook besloot en hoe zeer men ons ook terwille was, telkens protesteerden we en zochten we het hoger op om ons zoveel mogelijk aan onze financiële verplichtingen te onttrekken. We zouden dit vanuit het notulenboek met sterke voorbeelden kunnen illustreren, maar we laten dit alles liever rusten. Het is echter een uitgemaakte zaak, dat dit in de geschiedenis van onze gemeente een dieptepunt is geweest!

 

Lees meer deel 3.


Copyrechten bij de Gereformeerde kerk Haulerwijk

Aan de inhoud van deze site zijn geen rechten te ontlenen.
Bij problemen of vragen over deze website u kunt contact opnemen met
 Webmaster.    
Laatst bijgewerkt: 01 mei 2005.